Kansen voor B-stroom 1e graad

Deze tekst is tot stand gekomen op basis van de insteek van alle provinciale tso- en bso-scholen die, verspreid over de vijf Vlaamse provincies, de B-stroom aanbieden.

A-en B-stoom - inschrijving

De provinciale scholen wijzen op het belang van het nemen van de maximale verantwoordelijkheid door basisscholen bij het correct attesteren van de eindtermen basisonderwijs. Zij stellen vast dat dit voor basisscholen vandaag soms een moeilijke opgave is, in die zin dat scholen inspanningen van leerlingen willen honoreren en bijgevolg een attest basisonderwijs afleveren. Anderzijds geven zij te kennen dat de leerling op de tippen van zijn tenen staat en toch beter naar de B-stroom doorverwezen zou worden.

De provinciale scholen willen maximale leerkansen aan leerlingen bieden en onderstrepen dan ook het belang van een soepel inschrijvingsbeleid met het leerbelang van de leerling voor ogen.

Zij stellen dan ook de volgende soepelheid voor:

  •           Indien een leerling een getuigschrift basisonderwijs kan voorleggen, maar in de BASO-fiche een advies voor de B-stroom krijgt van de basisschool, dan kan de leerling, op basis van een beslissing van de toelatingsklassenraad, in de B-stroom worden ingeschreven.
  •           Indien een leerling een volwaardig getuigschrift dat toegang geeft tot het eerste leerjaar B voorlegt, maar op basis van de intake en de BASO-fiche er ernstige aanwijzingen zijn dat de leerling de A-stroom kan volgen, dan kan de leerling op basis van een beslissing van de toelatingsklassenraad onder ontbindende voorwaarde van één maand in de A-stroom worden ingeschreven.

Basisgeletterdheid en ontwikkelingsdoelen

De provinciale scholen zijn vragende partij om de basisgeletterdheid van de leerlingen in de B-stoom op het niveau van het getuigschrift basisonderwijs vast te leggen. Ze stellen in zowel landelijke als stedelijke context vast dat er vaker leerlingen met een niveau 3de leerjaar in de B-stroom instromen. Slechts een kleine minderheid van de leerlingen slaagt voor de Diatoets Taal. Het realiseren van de basisgeletterdheid op het niveau van het getuigschrift basisonderwijs zien zij dan ook als de meest geschikte basisgeletterdheid.

We vernemen dat het idee leeft om de realisatie van deze basisgeletterdheid uit te stellen tot op het einde van de tweede graad. Scholen geven ook aan dat de realisatie van de basisgeletterdheid – ongeacht op welke termijn – niet voor alle leerlingen is weggelegd. Daarnaast maken de scholen de kanttekening dat de geletterdheid inzake wiskunde, ICT en taal ook binnen de praktijkvakken aan bod kan en moet komen. De leerlingen van de B-stroom opnieuw op de klassieke manier les geven – opgedeeld in de  verschillende vakken – gaat het welbevinden niet verbeteren. We geloven er wel in dat leerlingen bv. in praktijkvakken bepaalde rekenvaardigheden kunnen opnemen. Daarom houden ze een pleidooi om de B-stroom niet op de klassieke manier te bekijken, maar wel op een vakoverschrijdende wijze. Taalvaardigheden, rekenvaardigheden, enz. kunnen ook in een doe-omgeving toegepast worden. We zien dan de basisopties in de B-stroom als een opportuniteit bij uitstek om aan de basisgeletterdheid te werken. Dit kan enkel het welbevinden van deze leerlingen, die soms al wat achterstand hebben opgelopen en ontgoochelingen hebben meegemaakt, opnieuw vergroten.

Wat het einde van de eerste graad betreft, wensen de provinciale scholen ontwikkelingsdoelen naar voren te schuiven. Ontwikkelingsdoelen bieden de veilige en stimulerende omgeving voor leerlingen om te groeien. Men mag niet vergeten dat leerlingen vaak een hele voorgeschiedenis van falen in hun schoolse carrière hebben. Het zelfvertrouwen en welbevinden is soms volledig verdwenen, vaak in combinatie met een moeilijke thuissituatie of taalachterstand. In de B-stroom ervaart de leerling opnieuw succeservaringen.

Het vastleggen van eindtermen in de plaats van ontwikkelingsdoelen zou wel eens het effect kunnen hebben dat meer leerlingen door het niet bereiken van de eindtermen, terugvloeien naar het buitengewoon onderwijs terwijl ze eigenlijk meer op hun plaats zitten in de B-stroom.

Heroriëntering - soepelheid

De provinciale scholen maken een kanttekening bij het afschaffen van het B-attest na het eerste jaar van de eerste graad.[1] Leerlingen die op de tippen lopen na het 1ste leerjaar A moeten nog steeds de kans krijgen om in het 2e leerjaar B in te stromen. Hier kunnen ze extra adem nemen voor ze starten in de 2e graad.

De provinciale scholen pleiten dan ook voor een maximale heroriëntering van leerlingen van de A- naar de B-stroom. Ze stellen voor om dit op twee momenten van het schooljaar te doen: in december en in juni. Deze soepelheid zorgt ervoor dat leerlingen op hun juiste leerplaats komen, wat enkel en alleen maar kan bijdragen tot het verhogen van het welbevinden van de leerlingen. Dit is ingegeven door een authentieke gerichtheid naar zorg voor de leerling en is geen gemakkelijkheidsoplossing.

De heroriëntering van de B-stroom naar de A-stroom moet zo snel mogelijk gebeuren bij de start in het secundair onderwijs. Indien de detectie later gebeurt, kan de heroriëntering naar de A-stroom plaatsvinden van het 2e leerjaar B naar het 2e leerjaar A.

Opstroomoptie versus heroriëntering

De modaliteiten van de opstroomoptie zouden duidelijker omschreven moeten worden, zodat scholen zich een concreet beeld kunnen vormen over de opstroomoptie. Niettemin benadrukken de provinciale scholen nu al het belang van een opstroomoptie gekoppeld aan een concrete context. Enkel en alleen een opstroomoptie met algemene vorming werkt niet motiverend. De scholen stellen zich dan ook de vraag hoe dit georganiseerd kan worden op een wijze die financieel haalbaar is.

Uit hun ervaring met OKAN-leerlingen, stellen de provinciale scholen voor om een leerling met potentieel voor de A-stroom ofwel vanaf het 1ste leerjaar B te heroriënteren naar het 1ste leerkaar A ofwel deze leerling in het 2e leerjaar B te heroriënteren naar het 2e leerjaar A als opstap naar het eerste leerjaar van de tweede graad (3A).

Trajectbegeleiding

De provinciale scholen gaan maximaal voor het bieden van basiszorg aan elke leerling. Ze maken hierbij gebruik van de middelen die de overheid hen aanbiedt. Net zoals dit het geval is voor NT2 en tweedekansonderwijs in het volwassenenonderwijs en de flex-trajecten in hoger onderwijs, pleiten de scholen met een B-stroom voor extra middelen voor trajectbegeleiding om zo de leerlingen en hun ouders te coachen in het uitzetten van aangepaste leerloopbaantrajecten. Zo gaan er in de provinciale scholen stemmen op om meer flexibiliteit in de vormgeving van leertrajecten uit te bouwen zodat een leerling een gedeelte in de B-stroom en een gedeelte in de A-stroom zou kunnen volgen. Maatwerk en modulair onderwijs zijn hier de boodschap!


[1] Op het einde van het schooljaar reikt de delibererende klassenraad een attest uit. Het attesteringsbeleid houdt daarbij rekening met de individuele leerling en zijn of haar talenten. Na het eerste leerjaar is dit een A-attest of –uitzonderlijk- een C-attest.